Nee, ik ben geen mismatcher.

23h35 en alles is rustig, in het dorp, in huis, in het hondenhok, behalve in mijn hoofd.

Terug thuis van een cursus waar ik mijn creatieve frustraties kon botvieren op zeer gewillig papier en nu ben ik klaar om nog even in mijn boek te duiken. De personages willen hun zegje doen en dan kan je als schrijver maar beter luisteren, voor ze dat zegje tegen iemand anders gaan doen. Misschien klinkt dit vreemd, maar ik heb nooit het gevoel zelf te schrijven. Het enige dat ik moet doen, is ervoor zorgen dat ik mijn personages ‘zie’. Dat vraagt wel een zekere bereidheid gek verklaard te worden omdat je ogenschijnlijk tegen jezelf, maar in werkelijkheid tegen meerdere fictieve personen staat te praten. Ik weet niet welk van de twee te verkiezen is… Zodra ze levensecht geworden zijn, vertellen zij het verhaal. En terwijl mijn vingers over het klavier razen ben ik dan net zo benieuwd hoe het gaat aflopen als de lezer. Verklap het vooral niet, maar in de tijd dat ik nog stationsromannetjes schreef, zat ik de laatste pagina’s meer dan eens snotterend te schrijven.

Die schrijfrush waarin je uren kunt doorgaan – nachten als het moet – op cappuccino en chocolade, met de laptop op schoot en een poes aan je voeten, daar kijk ik nu al naar uit. Dat is het meest verslavende aan schrijven, meer nog dan gelezen en goedgekeurd worden.

Beeldhouwers hebben het wel eens over het bevrijden van het beeld uit een steen. Het overbodige moet weggehaald worden om de ware vorm zichtbaar te maken. Met schrijven voelt het een beetje hetzelfde en tegelijk helemaal anders. Het lijkt soms alsof de verhalen er al zijn, in een soort veld van onpersoonlijke creativiteit. Je plugt in en krijgt een idee… Als je er niets mee doet, is het niet noodzakelijk verloren, dan behoort het opnieuw toe aan het veld en kan iemand anders er gebruik van maken. Zo had ik ooit een idee voor een non-fictie boek. Eerst was er de titel, daarna de inhoud. Ik wist precies hoe het papier zou voelen en wat er op de cover zou staan. Maar dat alles bleef in mijn hoofd. Tot ik een jaar later een boekenwinkel binnenstapte en krijtwit en kotsmisselijk werd bij het zien van ‘mijn’ boek. Het zag er hetzelfde uit, het voelde hetzelfde, zelfs de hoofdstukken kwamen in grote lijnen overeen met wat ik had willen doen. Helaas, pindakaas; opgestaan, plaats vergaan; te lang lui gebleven, boek door een ander uitgegeven.

Dus toen ik een poosje geleden dacht: ‘Zet dat hele idee van schrijven uit je hoofd’ begon ik een blog over het schrijven van een boek. Logisch toch…

En toen mijn hoofdpersonage me op een dag suggereerde dat ze graag een dagboek wou bijhouden in het boek, moedigde ik dat natuurlijk meteen aan.

“Een getekend dagboek,” voegde ze er haast onhoorbaar aan toe, want ze kent me natuurlijk, ze leeft tenslotte in mijn hoofd.

“Doen we,” antwoordde ik. Logisch toch… Vooral als je weet dat ik al heel mijn leven beweer en in de praktijk ook regelmatig bewijs absoluut niet over tekentalent te beschikken. Ik zie de beelden wel glashelder voor me, maar slaag er niet in om dat op papier te zetten. Er zat dus niets anders op dan mezelf tekenles te geven. Ik haalde ‘The Creative License’ in huis en tekende alles wat ik om me heen zag, het ene al lelijker dan het andere. Ik maakte portretten van H en de meisjes, het ene onherkenbaarder dan het andere. Ik maakte portretten van vreemden, waarin iedereen H en de kinderen herkende. Tenslotte maakte ik tientallen oefeningen van Carla Sonheim en begon totaal onverwacht te genieten van het kliederen – de naam tekenen nog niet waardig. The Art of Silliness was precies wat ik nodig had om mezelf de toestemming te geven om lelijk te tekenen, en daardoor mooier dan ooit. Ik zeg niet mooi, wel mooier…

Toen ik deze week de kans kreeg – de week waarin ik kloeg over een gebrek aan tijd – om een reeks Art Journaling te volgen, greep ik die natuurlijk met beide handen. Logisch toch.

De eerste les dus… met een eerste opdracht: Maak een voorpagina voor je Art Journal met een collagetechniek en verwerk er de namen van je medecursisten in en wat je hier wil bereiken. Maak het vrolijk en kleurrijk.

Ik hoefde er niet lang over na te denken: strak, zwart en rood, NOT ART JOURNAL, en de namen van de medecursisten verborgen in zentangles aan de rand van het blad. Logisch toch. Want ik wou mezelf vooral niet in de val laten lopen door te verwachten dat er kunst in dat schrift terecht zou komen.

“Knap,” hoor ik naast me, “echt kunst.”

(zucht)

Ooit begon ik het blogverhaal Huidloos met de zin ‘Dit is geen verhaal.’

Weet je wat… ik ga géén boek schrijven, vooral niet.

6 februari 2014

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s